2 Water en sediment
De Waddenzee is een open systeem. Bij
vloed stromen zeewater en sediment van de Noordzee de Waddenzee
binnen. En door een aantal grote rivieren wordt zoet water en
sediment aange voerd. De kwaliteit van water en sediment in de
Waddenzee wordt grotendeels bepaald door deze externe bronnen,
die vervuilende stoffen de Waddenzee binnenbrengen. Atmosferische
depositie is een andere bron van vervuiling.
Vervuilende stoffen worden over het
algemeen verdeeld in drie soorten, namelijk de `natuurlijke micro-verontreinigende
stoffen', `kunstmatige micro-verontreinigende stoffen' en `macro-verontreinigende
stoffen'. De eerste klasse bevat stoffen als zware metalen, die
niet alleen kunstmatig worden geproduceerd, maar ook in het natuurlijk
milieu voorkomen, zij het in lage concentraties.
De tweede klasse, de kunstmatige door
de mens geproduceerde stoffen, ook wel xenobiotica genoemd, bevat
stoffen als PCB's en pesticiden.
Macro-verontreinigende stoffen zijn
natuurlijke stoffen, die in relatief grote concentraties in het
zeemilieu voorkomen. De belangrijkste zijn nutriënten, vooral
fosfor en stikstofverbindingen.
Micro-verontreinigende stoffen kunnen
toxische effecten hebben op fauna en flora van een bepaald gebied,
bijvoorbeeld door aantasting van het reproduktie- of immuunsysteem.
Deze effec ten kunnen worden versterkt door accumulatie en synergisme.
Te hoge concentraties en hoeveelheden nutriënten kunnen leiden tot een verhoogde primaire produktie, die op haar beurt negatieve effecten kan veroorzaken, zoals zuurstofgebrek door algenbloei, veranderingen in de soortensamenstelling en het opnieuw vrijmaken van micro-verontreinigende stoffen.
| Status |
De relatief hoge mate van verontreiniging
van de Waddenzee wordt veroorzaakt door drie factoren:
| Doelen | |
|
Achtergrondconcentraties van natuurlijke
micro-verontreinigingen. Een Waddenzee die kan worden beschouwd als een `eutrofiërings-niet-probleemgebied'. |
| Evaluatie |
In de laatste twee decennia
is de hoeveelheid toxische stoffen die door rivieren wordt geloosd
flink afgenomen. In de Waddenzee zelf is over het geheel genomen
een vermindering van concentraties van regelmatig voorkomende
vervuilende stoffen zoals zware metalen en PCB's waarneembaar.
De twee belangrijkste nutriënten
zijn stikstofverbindingen en fosfaat. De concentraties fosfaat-
en, in mindere mate, stikstofverbindingen in het water van de
Waddenzee zijn in de tweede helft van de jaren tachtig gedaald,
voornamelijk als gevolg van het gebruik van fosfaatvrije wasmiddelen
en waterzuivering.
Het feit dat de stikstofverbindingen
minder zijn gedaald dan fosfaat heeft tot een verandering in de
relatieve concentraties van deze nutriënten geleid. Dit kan
tot een toename van giftige algen leiden. Het is niet duidelijk
of er nog andere biologische gevolgen zijn.
Veel toxische verbindingen, zoals zware
metalen en PCB's, die de Waddenzee binnenkomen, komen uiteindelijk
in het sediment terecht, vooral in sediment dat veel slik bevat.
Tijdens baggerwerkzaamheden moet speciale aandacht worden besteed
aan de vervuilingsgraad van de baggerspecie. Bovendien kan het
baggeren en het storten van baggerspecie de helderheid van de
waterkolom vertroebelen.
De scheepvaart is een potentiële
bron van vervuiling door olie, afval en gevaarlijke stoffen. In
de afgelopen jaren zijn er diverse incidenten geweest, waarbij
van schepen afkomstige chemicaliën en olie op de kust zijn
aangespoeld. Het aantal met olie besmeurde vogels dat langs de
kust van de Waddenzee aanspoelt blijft hoog. In de meeste gevallen
is de olie van schepen afkomstig.
Atmosferische depositie is ook een belangrijke
bron van vervuiling van bepaalde stoffen.
Onlangs werd binnen de Internationale
Maritieme Organisatie (IMO) besloten dat bepaalde schepen die
gevaarlijke ladingen vervoeren verplichte scheepvaartroutes verder
uit de kust van de Nederlandse en Duitse Waddenzee moeten volgen.
De verplichting om deze `diepwaterroute' te volgen geldt voor
olietankers (³ 10.000 ton GT) en bulkschepen (³ 5.000
of ³ 10.000 ton GT) die schadelijke vloeibare stoffen of
gassen vervoeren.
Schepen die gevaarlijke goederen vervoeren en Europese havens aandoen zijn volgens een EG Richtlijn verplicht zich te melden bij de bevoegde autoriteiten.
| Hoe verder |
Het trilaterale beleid en beheer met
betrekking tot vervuilingsproblemen staat in nauwe relatie met
ontwikkelingen binnen het raamwerk van de Noordzeeministersconferenties,
de Verdragen van Oslo en Parijs, de Internationale Maritieme Organisatie
(IMO) en de Europese Unie. Binnen deze raamwerken worden internationale
afspraken gemaakt over vervuilingsproblemen in het hele stroomgebied
van de Waddenzee. De meest relevante afspraken zijn die van de
Noord zeeministersconferenties en van de Commissie van Parijs
over vermindering van de toevoer van nutriënten met vijftig
procent en van de toevoer van schadelijke stoffen met vijftig
tot zeventig procent tussen 1985 en 1995. In 1992 besloot de Commissie
van Parijs om vanaf het jaar 2000 de vervuiling door lozingen
van giftige, moeilijk afbreekbare en bio-accumulerende stoffen
terug te brengen tot niveaus die voor mens of natuur niet schadelijk
zijn, met als einddoel de uitban ning van deze stoffen. In 1995
kwamen de Noordzeelanden overeen de vervuiling te voorkomen door
lozingen, uitstoot en verlies van gevaarlijke stoffen voortdurend
te verminderen, daarbij bewegend in de richting van de doelstelling
om ze binnen één generatie (25 jaar) te beëindigen.
Het uiteindelijke doel is voor natuurlijke stoffen te komen tot
concentraties in het milieu dichtbij achtergrondwaarden en voor
kunstmatige synthetische stoffen tot dichtbij nulwaarden (Noordzeeconferentie
Esbjerg § 17). Ook het MARPOL-Verdrag is heel belangrijk
voor de Waddenzee, want dit regelt de operationele lozingen van
olie, afval en gevaarlijke stoffen van schepen. Binnen het raamwerk
van de IMO zijn verdere veelomvattende regels voor een grotere
veiligheid van het scheepvaartverkeer ontwikkeld.
Op de 7e Trilaterale Waddenzee Regeringsconferentie
is afgesproken dat het trilaterale beleid met betrekking tot de
kwaliteitsdoelen van water en sediment gericht zal zijn op versterking
van de samenwerking binnen relevante internationale verbanden
om de Doelen tot vermindering van milieuvervuiling te realiseren
(Verklaring van Leeuwarden § 6.3). Waar nodig zal de samenwerking
worden versterkt met het doel tot verdere afname te komen van,
met name, de toevoer van organische micro-verontreinigende stoffen
en stikstof.
Aan de Noordzeeministersconferenties
werden Gezamenlijke Trilaterale Verklaringen voorgelegd, waarin
de speciale belangen en problemen van de Waddenzee in relatie
met de onderwerpen van de opeenvolgende conferenties zijn uitgewerkt.
De samenhang met het voorbe reidende werk voor de Noordzeeministersconferenties
en, wat betreft monitoring en beoordeling in OSPAR, wordt bereikt
door middel van een permanent waarnemerschap in de relevante werk
groepen.
Onduidelijk is in hoeverre de aanpak
bij het baggeren en storten van baggerspecie in de drie Waddenzeelanden
vergelijkbaar is. In 1993 werden door de commissie van Oslo richtlijnen
voor baggerspecie uitgevaardigd. Tijdens de Waddenzee Conferentie
in Esbjerg werd afgesproken om samen te werken bij het ontwikkelen
van nationale criteria voor het baggeren en storten van baggerspecie
volgens de richtlijnen van Oslo en om de eventuele noodzaak te
overwegen van harmonisatie (Verklaring van Esbjerg § 9).
Gezien de betekenis van de bagger- en
stortactiviteiten voor het ecosysteem van de Waddenzee, lijkt
het gewenst dit besluit te evalueren, met het doel het proces
van trilaterale harmonisatie voort te zetten.
Wat betreft illegale lozingen door schepen moeten relevante ontwikkelingen in het kader van de Noordzeeministersconferenties en de IMO worden ondersteund. Tijdens de Waddenzee Conferentie van Leeuwarden werd besloten bevoegde autoriteiten uit te nodigen om passende maatregelen te nemen om lozingen in zee, vooral door de pleziervaart, te minimaliseren, inclusief het ontwikkelen van systemen voor ontvangstinstallaties van scheepsafval op de wal, op z'n laatst in 1996 (Verklaring van Leeuwarden § 64.4). Om dit besluit te kunnen evalueren is het noodzakelijk om een overzicht te hebben van beschikbare en toegankelijke ontvangstinstallaties in de havens van de Waddenzee.
| 2.1 Trilateraal beleid en beheer |
2.1.1 Trilateraal beleid voor
de vermindering van toevoer van nutriënten en schadelijke
stoffen uit alle bronnen stemt overeen met het beleid binnen de
kaders van OSPAR en de Noordzeeministersconferenties.
2.1.2 Om de toevoer van nutriënten in de Waddenzee te verminderen, zullen in het stroomgebied van de Waddenzee maatregelen worden genomen volgens de Stedelijke Afvalwater Richtlijn voor gevoelige gebieden en volgens de Nitraat Richtlijn voor kwetsbare gebieden, in overeenstemming met het besluit van de Noordzeeministersconferentie in Esbjerg.
Vervuiling door
schepen
2.1.3 Om een eind te maken aan vervuiling
door operationele verontreiniging en om vervuiling door ongelukken
te verminderen zal een informatie- en volgsysteem worden opgezet
voor schepen die gevaarlijke stoffen vervoeren.
2.1.4 Havens die aan de Waddenzee grenzen
moeten adequate voorzieningen hebben om alle soorten residuen
en afval van schepen te kunnen verwerken, zodat aan de eisen van
het MARPOL Verdrag kan worden voldaan.
2.1.5 Ter voorkoming van olie en gevaarlijke
stoffen in het aquatisch milieu, zullen activiteiten worden voortgezet
die leiden tot het beter handhaven (door middel van toezicht en
vervolging) van overeengekomen regels en van beleid voor het bestrijden
van illegale lozingen.
Het baggeren en storten
van baggerspecie
2.1.6 De drie landen zullen nationale
criteria ontwikkelen en in praktijk brengen met betrekking tot
baggerwerkzaamheden en het storten van baggerspecie. Ze zullen
samenwer ken binnen de kaders van bestaande internationale overeenkomsten
en organisaties door uitwis seling van informatie over de belangrijkste
ervaringen bij de implementatie van deze criteria.
2.1.7 Baggerspecie uit het Samenwerkingsgebied en havens aan de
Waddenzee zal, in principe, in het systeem worden teruggebracht,
tenzij de vervuiling landelijke normen over schrijdt.
Lozingen bij olie-
en gasboringen en -winning
2.1.8 Exploratie en de winning van energiebronnen
in de Noordzee en in het Samenwerkingsgebied moeten tenminste
voldoen aan de internationale afspraken die in de betreffende
fora zijn gemaakt. Dit leidt onder andere tot een verbod op het
lozen van boorvloeistof en -gruis op oliebasis. Het storten of
lozen van boorvloeistof en -gruis op waterbasis is alleen toegestaan
als het past binnen de betreffende PARCOM-afspraken.
2.1.9 Het lekken van gifstoffen uit
beschermende coatings van pijpleidingen en andere installaties
zal worden voorkomen door het gebruiken van geschikte materialen.
2.1.10 In het Beschermingsgebied zullen
off-shore activiteiten die een schadelijke invloed hebben op het
milieu van de Waddenzee worden beperkt en zullen nullozingen gelden.
In het Samenwerkingsgebied buiten het Beschermingsgebied zullen
lozingen van boorvloeistof en -gruis op waterbasis zoveel mogelijk
worden beperkt door toepassing van de best beschikbare technieken
en door een verbod op het lozen van produktiewater van produktieplatforms.
| 2.2 Trilaterale projecten en acties |
2.2.1 De ontwikkeling van gemeenschappelijke
specifiek voor de Waddenzee geldende criteria voor het onderscheiden
van eutrofiërings-probleemgebieden en eutrofiërings-niet-probleemgebieden,
ter beoordeling van de voortgang in de doorwerking van de Doelen
voor de vermindering van de voedingsstoffen, en als gevolg daarvan
de vermindering van de eutrofiëring. Het project zal worden
uitgevoerd in nauwe samenwerking met het werk dat binnen OSPAR
wordt gedaan om een nieuwe strategie tegen eutrofiëring te
ontwikkelen.
2.2.2 Een inventarisatie en evaluatie
van informatie- en geleidingssystemen voor schepen met gevaarlijke
stoffen zal worden uitgevoerd.
2.2.3 Een inventarisatie en evaluatie
van nationale procedures met betrekking tot baggeren en het storten
van baggerspecie zal worden uitgevoerd met als doel uit te zoeken
of harmonisatie noodzakelijk en uitvoerbaar is.
2.2.4 Een inventarisatie en beoordeling van de beschikbaarheid en toegankelijkheid van havenontvangst-installaties.