9 Vogels

Vogels maken gebruik van verschillende habitats in het Samenwerkingsgebied. Daarom zijn alle habitats die door een bepaalde vogelsoort worden gebruikt met elkaar verbonden en van elkaar afhankelijk. Voldoende dichtbij broedgebieden van een vogelsoort moeten bijvoorbeeld foerageer gebieden en goede rustplaatsen op droogvallende platen of kwelders zijn. Tijdens verschillende perioden zijn al deze habitats belangrijk voor de verschillende vogelsoorten en essentieel voor de natuurlijke ontwikkeling van deze soorten in het Samenwerkingsgebied; hiermee moet dus rekening worden gehouden bij het opstellen van een beheersstrategie voor de bescherming van vogels/ verschillende vogelsoorten/populaties. Daarom zijn de Doelen en sub-doelen voor de vogels relevant voor bijna alle habitattypen in het Samenwerkingsgebied.
Beleidsmaatregelen met een habitat-overschrijdend karakter en maatregelen met betrekking tot specifieke vogelsoorten die zich in specifieke habitats ophouden, zullen aan de orde worden gesteld.

  Status


De status van vogels in het Samenwerkingsgebied wordt allereerst bepaald door weersomstandigheden, het voedselaanbod, verstoring als gevolg van menselijke activiteiten en door vervuiling, vooral door zware metalen, organische micro-verontreinigingen en olie.
Ieder jaar bevinden zich grote aantallen ruiende eenden en ganzen in het Samenwerkingsgebied. Deze vogels vliegen niet tijdens de rui en zijn in die periode bijzonder gevoelig voor verstoring. smient, brandgans en, in mindere mate, rotgans zijn planteneters en gebruiken in bepaalde perioden van het jaar de hooilanden en bouwland als foerageergebied. De overgang van het habitat-gebruik van traditionele natuurlijke foerageergebieden als zeegrasvelden en kwelders naar landbouwgrond (bijv. intensieve graslanden) leidde tot schade aan de landbouwgrond en conflicten met agrariërs. De broedpopulaties van specifiek bedreigde soorten zoals de bontbekplevier en dwergstern zijn in grote mate afhankelijk van habitats als zandstranden en primaire duinen. Het kustgebied is een belangrijk voedsel-, rust- en ruigebied voor duikers en eider- en andere zee-eenden, zoals de zwarte zee-eend.

 

 

  Doelen
   
  Gunstige omstandigheden voor trekkende en broedende vogels:

een goede beschikbaarheid van voedsel;

een natuurlijk broedsucces;

voldoende grote ongestoorde pleisterplaatsen en ruigebieden;

natuurlijke vlucht-afstanden.

 

  Evaluatie

Goede beschikbaarheid van voedsel

Gestreefd wordt naar goede beschikbaarheid van voedsel voor vogels. Op grond van het grondbeginsel zouden onnatuurlijke voedselbronnen voor vogels moeten worden voorkomen. Zo lang er echter onnatuurlijke voedselbronnen in het Samenwerkingsgebied zijn, moeten ze worden geaccepteerd als deel van het systeem en als een natuurlijke component van het betref fende ecosysteem.

Een aantal menselijke activiteiten verstoort het natuurlijke voedselaanbod van bepaalde vogel soorten. Deze verstoringen kunnen gevolgen hebben voor de beschikbaarheid van voedsel in jaren met geringe hoeveelheden schelpdieren. Daarom moet iets worden gedaan aan acti viteiten die het voedselaanbod voor bepaalde vogelsoorten vergroten en sommige soorten bevoordelen, met consequenties voor de hele vogelgemeenschap. Het betreft het lozen van visaf val, vuilstortplaatsen in de omgeving van het Samenwerkingsgebied, eutrofiëring en land bouwactiviteiten in eilandpolders en gebieden achter de dijken.


Natuurlijk broedsucces

Onder de parameter `natuurlijk broedsucces' moet ook het belang worden betrokken van natuur lijke habitats als voorwaarde voor de natuurlijke verspreiding en dichtheid van populaties broedvogels en het succes van hun voortplanting.
Natuurlijke verspreiding en dichtheid van populaties broedvogels zijn vooral van belang voor bedreigde vogelsoorten die sterk afhankelijk zijn van habitats als zandstranden en primaire duinen (bontbekplevier en dwergstern). De huidige broedpopulaties van deze soorten worden bijzonder bedreigd en zijn aanzienlijk kleiner geworden in vergelijking met vroegere (natuurlijke) aantallen.

Over het algemeen zou een succesvolle voortplanting van broedvogels in het Samenwerkingsgebied niet beïnvloed moeten worden door menselijke factoren (bijvoorbeeld chemische vervuiling, verstoring). Goede resultaten bij het broeden en voortplanten worden over het algemeen meer beïnvloed door allerlei verstoringen en door natuurlijke factoren, zoals weersomstandigheden, overstromingen en roofdieren, dan door vervuiling. Maar ook factoren zoals het aantal roofdieren en de regelmaat en hoogte van overstromingen kunnen door mense lijke activiteiten worden beïnvloed (het bouwen van dijken en dammen op de eilanden, waardoor het aantal grondpredatoren toeneemt).

Voldoende ongestoorde pleisterplaatsen en ruigebieden

Langs de hele kust van het Samenwerkingsgebied zouden voldoende grote onverstoorde rustgebieden moeten liggen, niet te ver van elkaar en in de nabijheid van foerageergebieden. Een criterium voor de grootte van een onverstoord rustgebied moet zijn dat de vogels er kunnen rusten zonder door menselijke activiteiten buiten het gebied te worden verstoord.

Naast het voedselaanbod is het ontbreken van verstoringen de belangrijkste reden waarom berg- en eidereenden in grote getale in een bepaald gebied gaan ruien. Deze vogels kunnen tijdens de rui niet vliegen en zijn buitengewoon gevoelig voor verstoringen tot op een afstand van enkele kilometers. Boten en andere bronnen van verstoring hebben een sterke invloed op de huidige verspreiding van ruiende eenden in het Samenwerkingsgebied.


Natuurlijke vluchtafstanden

De `vluchtafstand' is de afstand tussen een vogel en een menselijke verstoringsfactor waarop de vogel reageert door weg te vliegen. Hoewel de `natuurlijke' (ontsnappings-) vluchtafstanden van vogels in het Samenwerkingsgebied niet bekend zijn, kunnen de huidige vluchtafstanden die een reactie zijn op verstoring door mensen als groot worden beschouwd, omdat de vogels de mens als vijand hebben ervaren. Deze onnatuurlijk grote vluchtafstanden zijn de oorzaak dat andere menselijke activiteiten, die bij kleinere vluchtafstanden meestal geen effect zouden hebben, nu ook als verstorend worden ervaren. Aan de andere kant moet rekening worden gehouden met de mogelijkheid van gewenning van vogels in `veilige' gebieden.

Menselijke activiteiten die tot verstoringen kunnen leiden zijn, onder andere, de jacht, sommige militaire activiteiten, recreatie, vliegverkeer en windturbines. Verstoringen door de militaire en burgerluchtvaart zijn verminderd door het invoeren van minimum vlieghoogtes. De schietterreinen bij Den Helder, Noordvaarder en Sylt worden niet meer gebruikt.

  Hoe verder

Een belangrijk element in het toekomstige beleid en beheer is het toewerken naar aanvaardbare oplossingen voor het conflict tussen de voedselbehoeften van vogels en de belangen van visserij en landbouw. Het is belangrijk om voedseltekorten als gevolg van verstoring door andere mense lijke activiteiten (zoals recreatie, luchtverkeer, windturbines, jagen etc.) te voorkomen, evenals activiteiten die bepaalde vogelsoorten bevoordelen door hun voedselaanbod te vergroten, bijvoor beeld door het lozen van visafval, vuilstortplaatsen dichtbij het Samenwerkingsgebied, eutrofiëring en agrarische activiteiten in eilandpolders en gebieden achter de dijken. Het is echter duidelijk dat dit alleen in nauwe samenwerking met de visserij en landbouwsector kan gebeuren.

Maatregelen om broed-, rust- en foerageergebieden te beschermen kunnen worden bereikt door een voldoende aantal vogelreservaten van de juiste omvang in te richten en door een betere regulering van activiteiten. Vooral broedpopulaties van bontbekplevier en dwergstern, die in grote mate afhankelijk zijn van habitats als zandstranden en primaire duinen, worden bedreigd. De situatie voor deze vogelsoorten zou moeten worden verbeterd. Hetzelfde geldt voor trekvogels en vogels in de rui. Veilige rui- en rustgebieden die dichtbij hun foerageergebieden liggen zijn noodzakelijk voor vogels om energieverlies te voorkomen.

Het is belangrijk om de bouw van windturbines op plaatsen in het landelijk gebied te vermijden waar dit veel invloed op vogels zou hebben.

Vogeltrekroute-samenwerkingsovereenkomsten zijn al gesloten met The Wash en Guinee-Bissau. In het kader van de Afrikaans-Euraziatische Overeenkomst over Watervogels zullen internationale beschermingsplannen voor opgesteld voor trekkende steltlopers en andere vogelsoorten.

 

  9.1 Trilateraal beleid en beheer

Vogelbescherming en het beheer op het trilaterale beleidsniveau zijn ondergeschikt aan het grondbeginsel, dat wil zeggen een natuurlijke en zoveel mogelijk dynamische Waddenzee, zelfs als de natuurlijke dynamiek zou leiden tot minder gunstige omstandigheden voor sommige vogel soorten of populaties. Dit betekent dat het grondbeginsel belangrijker is dan speciale beschermingsmaatregelen voor bepaalde vogelsoorten.
Algemene punten betreffende de samenwerking rond de trekroutes en ook specifieke beleidsmaatregelen ten opzichte van verschillende menselijke activiteiten die gevolgen hebben voor broed- en trekvogelpopulaties in het Samenwerkingsgebied zijn al in de Verklaringen van Es-bjerg en Leeuwarden vastgelegd.
Algemene beleidsmaatregelen voor bepaalde habitats, die vermeld staan onder de specifieke hoofdpunten van de habitat-types, zoals getijdegebied en kwelders, kunnen ook relevant zijn voor vogelpopulaties in het algemeen.


Bescherming van gebieden

9.1.1 De omstandigheden voor broedvogels zullen door het juiste beheer worden verbeterd.

9.1.2 Er wordt naar gestreefd door integraal beheer de omstandigheden voor trekvogels in rustgebieden en bij het foerageren te verbeteren, evenals voor zee-eenden in de kustwateren tijdens de rui.


Verstoring van het voedselaanbod voor vogels

Mosselzaad- en kokkelvisserij

9.1.3 De negatieve gevolgen van kokkelvisserij zijn beperkt doordat:

- Kokkelvisserij in het Duitse deel van het Beschermingsgebied niet is toegestaan;

- Kokkelvisserij in het Deense deel van het Samenwerkingsgebied niet is toegestaan, met uitzondering van enkele kleine gebieden langs de scheepvaartroute naar Esbjerg en in de Ho-baai;

- Kokkelvisserij in het Nederlandse deel van het Samenwerkingsgebied is toegestaan, maar wordt beperkt doordat aanzienlijke gebieden permanent zijn gesloten. Er zijn additionele mogelijkheden om voedsel voor vogels veilig te stellen. In samenwerking met de visserijsector is een beheersplan operationeel, waarin bescherming en toename van natuurlijke mosselbanken en Zostera-velden centraal staan. (Identiek aan 4.1.16).

9.1.4 De negatieve gevolgen van mosselzaadvisserij worden beperkt door permanente sluiting van aanzienlijke gebieden. Daarnaast is het visserijbeheer gericht op de bescherming en bevordering van de groei van, onder andere, mosselbanken en Zostera-velden. (Identiek aan 4.1.17).

9.1.5 De mosselzaadvisserij zal, in principe, tot de permanent onder water gelegen gebieden worden beperkt. Op basis van nationale beheersplannen, zoals beschreven in het Progress Report, kan visserij op droogvallende platen worden toegestaan. De visserijsector wordt verzocht om informatie uit te wisselen over huidige praktijken en om mogelijkheden te onderzoeken om gevolgen van de mosselvisserij in het algemeen en mosselzaadvisserij in het bijzonder te minimaliseren. (Identiek aan 4.1.18).


Akoestische en optische verstoringen

Verstoringen door recreatie en andere menselijke activiteiten

9.1.6 Verstoringen in belangrijke broedgebieden zullen worden verminderd en voor vogels meer herkenbaar worden gemaakt, bijvoorbeeld door slechts een beperkt aantal wandelpaden op kwelders, stranden en duinen open te stellen (informatiesysteem voor bezoekers).

9.1.7 Er wordt naar gestreefd in belangrijke broedgebieden de verstoring door begrazing te verminderen door afname van de begrazingsdruk en het verkorten van de periode waarin begra zing is toegestaan, behalve als een bepaalde intensiteit van begrazing noodzakelijk is in het belang van de kustverdediging.

9.1.8 Het rijden met auto's in broedgebieden op stranden en in duinen is verboden.


Windenergie

9.1.9 Het bouwen van windturbines in het Beschermingsgebied is verboden. (Identiek aan 1.1.4).

9.1.10 Het bouwen van windturbines in het Samenwerkingsgebied buiten het Beschermings gebied wordt alleen toegestaan als belangrijke ecologische en landschappelijke waarden niet worden aangetast. (Identiek aan 1.1.5).


De jacht

9.1.11 Het jagen op trekvogels is, of zal in toenemende mate, worden uitgebannen in het Beschermingsgebied of in een ecologisch en naar grootte vergelijkbaar gebied in het Samenwer kingsgebied.

9.1.12 Loden hagelkorrels mogen in het Samenwerkingsgebied niet worden gebruikt.

9.1.13 Het jagen op niet-migrerende soorten is, in principe, in het Beschermingsgebied alleen toegestaan als de trekvogels er geen last van ondervinden.


Burgerluchtvaart

9.1.14 De nadelige gevolgen van de burgerluchtvaart in het Samenwerkingsgebied zullen worden beperkt.

9.1.15 In het Samenwerkingsgebied zullen geen nieuwe vliegvelden worden aangelegd.

9.1.16 Uitbreiding van bestaande vliegvelden voor burgerluchtvaart in het Samenwerkingsgebied is beperkt tot waar dit essentieel is voor een grotere veiligheid van het luchtverkeer.

9.1.17 Boven het Samenwerkingsgebied is een minimale vlieghoogte voor de burgerluchtvaart van 1500 tot 2000 voet (450-600 meter) van kracht. Om veiligheidsredenen kunnen ontheffingen worden verleend, maar deze zullen worden beperkt tot bestaande aangewezen vliegroutes in minder kwetsbare delen van het Samenwerkingsgebied.

9.1.18 Het vliegen met ULV's in het Samenwerkingsgebied zal, in afwachting van nationale wetgeving, worden verboden, met uitzondering van controlevluchten en vluchten voor wetenschappelijke doeleinden.

9.1.19 Reclamevluchten in het Samenwerkingsgebied zijn, in principe, verboden.

9.1.20 In het Samenwerkingsgebied worden vliegroutes en -hoogtes voor helikopters zo vastgesteld dat de fauna zo min mogelijk wordt verstoord.


Militaire activiteiten

9.1.21 Verstoringen door militaire activiteiten zijn of zullen worden beperkt en mogelijkheden tot verdere concentratie en/of stopzetting van militaire activiteiten zullen regelmatig worden onderzocht.

9.1.22 De negatieve gevolgen van vluchten op lage hoogte door militaire vliegtuigen zijn of zullen worden verminderd door het aantal vluchten en de maximale snelheid te verminderen.

9.1.23 Acties om verstoringen door militaire vluchten in het gebied van de Waddenzee te minimaliseren zullen op gemeenschappelijke basis worden ondernomen.

9.1.24 Hoge prioriteit zal worden gegeven aan het aanwijzen van overbodige schietterreinen tot natuurbeschermingsgebieden.

  9.2 Trilaterale projecten en acties

9.2.1 Een inventarisatie van alle belangrijke en potentiële rustgebieden voor vogels langs de kust van ieder land, in samenhang met een evaluatie van de beschikbare kennis over de noodzaak van ongestoorde rustgebieden, teneinde de mogelijkheden voor het tot stand brengen van ongestoorde rustgebieden te verkennen.

9.2.2 Een evaluatie van de beschikbare kennis over de noodzaak van ongestoorde ruigebieden voor zee-eenden in de kustgebieden en onderzoek naar mogelijkheden voor het tot stand bren gen van dergelijke ongestoorde ruigebieden, teneinde de omstandigheden tijdens het ruien te verbeteren.

9.2.3 Onderzoek naar mogelijkheden om tot een gezamenlijk beheer met betrekking tot plantenetende vogelsoorten (bijvoorbeeld eenden en ganzen) op binnendijkse locaties te komen.

9.2.4 Verkenning van de mogelijkheden om de omstandigheden voor broedvogels in duinen en stranden te verbeteren. Dit in samenwerking met verantwoordelijke overheden, vooral op lokaal niveau en belangengroepen met het doel om de resultaten te bespreken en afspraken te maken over passende maatregelen.

9.2.5 Een inventarisatie en beoordeling van de afname van de verstoring door militaire activiteiten in de drie landen.