10 Zeezoogdieren


De gewone zeehond, grijze zeehond en bruinvissen kunnen worden beschouwd als inheemse Waddensoorten. Water is het belangrijkste of exclusieve element van deze zeezoogdieren. In de loop van het jaar maken gewone zeehonden ook gebruik van andere habitats dan water, zoals zandbanken in het getijdegebied en stranden; de grijze zeehond maakt ook gebruik van duinen en kwelders. Al deze habitats zijn essentieel voor de instandhouding van vitale biologische functies van zeehonden, zoals het baren, zogen, grootbrengen van jongen en zoeken van voed sel.

Diersoorten die gedeeltelijk van dezelfde habitats gebruikmaken, zoals zeezoogdieren en vogels, hebben speciale aandacht nodig omdat ze zo gevoelig zijn voor verstoring en vervuiling en mogelijk ook nog voedselconcurrentie ondervinden van de mens. Omdat zij aan het eind van een voedselketen staan (top-predatoren) hebben deze diersoorten een belangrijke funktie als indicatoren voor de kwaliteit van het Waddenzee-ecosysteem. Zeehonden zijn de ambassa deurs en de meest aantrekkelijke diersoorten van het Samenwerkingsgebied. Daarom moet het voor toeristen mogelijk blijven om zeehonden in hun natuurlijke omgeving te zien.

  Status

De huidige en tijdelijke beschermde status van de gewone zeehond, grijze zeehond en bruinvissen in het Samenwerkingsgebied wordt in eerste instantie bepaald door twee ontwikkelingen: verstoring als gevolg van verschillende menselijke activiteiten (zoals toerisme en recreatie, vliegverkeer, sommige militaire activiteiten) en vervuiling, vooral door zware metalen en organische micro-verontreinigingen. De huidige situatie met betrekking tot de voedselvoorziening heeft geen invloed op de beschermde status van zeehonden. Terwijl maatregelen om de vervui ling te bestrijden grotendeels buiten het Samenwerkingsgebied moeten worden genomen, zal de bescherming van zeehondenhabitats binnen het gebied zelf moeten plaatsvinden door het opzetten van zeehondenreservaten op zodanige wijze dat de verstoringen tot een minimum zijn teruggebracht.

In de jaren na de virusepidemie van 1988 is de populatie van de gewone zeehond snel hersteld. Tijdens gecoördineerde vluchten boven het hele Samenwerkingsgebied werden in 1996 in totaal 11.301 zeehonden geteld, waarvan 2.204 jongen.

Tegenwoordig zijn er twee werpgebieden voor grijze zeehonden in het Samenwerkingsgebied. Een ervan ligt dicht bij Vlieland in Nederland met ongeveer 315 dieren. Daar worden ieder jaar minstens dertig jongen geboren; en een kleine kolonie van ongeveer dertig tot veertig dieren in Sleeswijk-Holstein.

Waarnemingen wijzen uit dat bruinvissen zich voornamelijk ophouden in kustwateren die niet dieper zijn dan twintig meter. Systematisch onderzoek vanuit de lucht en met schepen, uitge voerd in het kader van het EG-project SCANS en een project van de universiteit van Kiel in de hele Noordzee en delen van de Oostzee, hebben aangetoond dat binnen de Duitse Bocht de meeste dieren voorkomen in het gebied ten westen van de Knöbsände en het eiland Sylt. Uit het lange termijn onderzoek van vrijwilligers op de eilanden Anrum en Sylt is ook gebleken dat de bruinvissen in dit gebied zich het hele jaar door in de omgeving van de stranden ophouden. In vergelijking met andere delen van de Noordzee zijn er bijzonder veel wijfjes met jongen (de zoogperiode van deze diersoort duurt ongeveer acht maanden) in dit gebied. Hieruit kan worden afgeleid dat dit gebied een belangrijke funktie heeft als kraamkamer voor bruinvissen.

  Doelen
   
  Een levensvatbare stand en een natuurlijke reproductiecapaciteit voor de gewone zeehond, inclu sief het overleven van de jongen.

Een levensvatbare stand en een natuurlijke reproductiecapaciteit voor de grijze zeehond, inclu sief het overleven van de jongen.

Een levensvatbare stand en een natuurlijke reproductiecapaciteit voor bruinvissen.

 

  Evaluatie

De term `levensvatbare stand' moet zo worden omschreven dat een link met het beheer mogelijk is. Hoeveel dieren kunnen worden verwacht op basis van de natuurlijke draagkracht van het Samenwerkingsgebied is afhankelijk van factoren die bepaald worden door de hoeveelheid vis in de Noordzee, ongestoorde en geschikte voedselgebieden en de gevolgen van ziekten en para sieten in grote populaties. Het ontbreken van enige menselijke invloed op de populaties, zoals deze in de loop der jaren zijn beoordeeld en waargenomen, is maatstaf voor het eerste deel van het doel.

De `natuurlijke reproductiecapaciteit' van zeehonden is van veel factoren afhankelijk - de kwaliteit van het water, verstoring, de grootte van de populatie - en kan waarschijnlijk niet door een simpel getal of in een eenvoudige classificatie worden uitgedrukt. Op basis van regelmatig best mogelijk deskundigheidsoordeel moet worden beoordeeld of de reproductie als natuurlijk kan worden beschouwd. Dit tweede deel van het doel is een van de belangrijkste en nog steeds niet opgeloste, problemen van de laatste tientallen jaren: de verminderde voortplantingscijfers als gevolg van PCB's en andere organische micro-verontreinigingen. Een gemiddelde jaarlijkse repro ductie van 0,85 tot 0,95 jong per volwassen wijfje wordt voorgesteld als referentie voor de natuurlijke reproductiecapaciteit.

De huidige populatie van de gewone zeehond wordt in genetische termen als levensvatbaar be schouwd. De sterfte onder jongen is echter hoog (meer dan 40 procent, in plaats van 20-25 pro cent). Ondanks de goede bescherming van de belangrijkste rust- en verzorgingsgebieden zijn de milieuomstandigheden nog steeds onvoldoende.

De huidige populatie grijze zeehonden in het Samenwerkingsgebied kan niet als levensvatbaar worden beschouwd. De groep in Nederland groeit alleen maar door immigratie van grijze zeehonden uit Groot-Brittannië. Grijze zeehonden hebben tijdens de werp- en zoogperiode hoge zandbanken nodig (die tijdens vloed niet onderlopen) of stranden en kwelders. Er zouden maatregelen moeten worden bedacht om bepaalde gebieden op een flexibele manier vrij van verstoringen te houden. Verder is er niet genoeg kennis over de natuurlijke reproductie van grijze zeehonden in het Samenwerkingsgebied.

Met betrekking tot bruinvissen moet worden vastgesteld dat informatie voor een precieze beoordeling nog steeds niet beschikbaar is. Kleine walvisachtigen zijn echter bijzonder gevoelig voor verstoringen door boten die met grote snelheid varen (bijvoorbeeld jetski's) en voor de gevolgen van visserij (bijvangsten). Pleziervaart en andere schepen veroorzaken onder water harde geluiden die de communicatie- en oriëntatiesystemen van kleine walvisachtigen verstoren. Dit kan leiden tot aanvaringen met hoge-snelheidsboten die nauwelijks kunnen worden gelokaliseerd door walvissen en tot het elkaar blijvend kwijtraken van wijfjes en jongen.
Bijvangsten door de visserij vormen de belangrijkste bedreiging voor bruinvissen. Op grond van een extrapolatie wordt het aantal dode dieren in Deense staande netten in de hele Noordzee jaarlijks op ongeveer 7000 geschat.

 

  Hoe verder

Zowel de chemische als de fysische omstandigheden - bijvoorbeeld het niveau van verstoringen - van de habitat van gewone en grijze zeehonden en bruinvissen moeten worden verbeterd.

Om tot een betere beoordeling van de status van de grijze zeehond in het Samenwerkingsgebied te kunnen komen, moet de kennis over voortplanting en sterfte van grijze zeehonden in het algemeen worden verbeterd. Hetzelfde geldt voor bruinvissen, omdat de huidige kennis over deze soort onvoldoende referentiemogelijkheden biedt, noch voor de levensvatbaarheid van de populatie, noch voor de natuurlijke reproductie.

  10.1 Trilateraal beleid en beheer

Gewone en grijze zeehonden

Het Overeenkomst over de Bescherming van Zeehonden in de Waddenzee (Zeehondenovereenkomst) werd op 1 oktober 1991 van kracht als de eerste overeenkomst zoals geformuleerd in artikel 4 van het `Verdrag inzake de bescherming van trekkende wilde diersoorten' (Conventie van Bonn). De overeenkomst tussen de Waddenzeestaten werd afgesloten om nauw te kunnen samenwerken teneinde een goede bescherming te kunnen bieden aan de zeehondenpopulaties in het Samenwerkingsgebied en die ook te kunnen handhaven. De Zeehondenovereenkomst bevat onder andere bepalingen over onderzoek en monitoring, opvang en bescherming van habitats, zoals uitgewerkt in het Beschermings- en Beheersplan voor de Zeehondenpopulaties in de Waddenzee 1991-1995 (Verklaring van Esbjerg § 26) en het herziene Zeehonden Beheersplan 1996-2000, dat ook aanvullende maatregelen voor de bescherming van de grijze zeehond bevat.

Met betrekking tot de doorwerking van de Doelen voor gewone en grijze zeehonden wordt verwezen naar de specifieke maatregelen in verband met de verschillende soorten habitats en vooral naar het Zeehonden Beheersplan 1996-2000. Het bijgestelde Zeehonden Beheersplan is gebaseerd op een uitgebreide evaluatie van het eerste Zeehonden Beheersplan 1991-1995 en op de resultaten van het Gezamenlijke Zeehonden Project (JSP) en de beginselen en richtlijnen met betrekking tot het vangen, gezond maken en vrijlaten van zeehonden, zoals vermeld in § 60 van de Verklaring van Leeuwarden (Verklaring van Leeuwarden § 56-60); Beschermings- en Beheersplan voor de Zeehondenpopulaties in de Waddenzee 1991-1995 (Verklaring van Es-bjerg § 26); Zeehonden Beheersplan 1996-2000 (Senior Officials, maart 1996).

Maatregelen voor de implementatie van de Doelen voor zeehonden staan speciaal aangegeven onder `Vereiste inspanningen en doelstellingen' en `Acties in 1996-2000' in het Zeehonden Beheersplan 1996-2000, dat is onderverdeeld in acties op trilateraal en op nationaal niveau. Deze acties omvatten maatregelen die voor verschillende habitats en met verschillend oogmerk moeten worden genomen, zoals onderzoek, monitoring en bescherming van habitats. Hieronder worden de trilaterale afspraken vermeld, die al zijn genomen in Esbjerg en Leeuwarden, en enkele nieuwe voorstellen voor trilateraal beleid, beleidsmaatregelen en acties. De algemene be leidsmaatregelen met betrekking tot specifieke soorten habitats zoals het getijdegebied, kweld ers, kustwateren etc. kunnen ook relevant zijn voor zeezoogdieren in het algemeen.
Volgens de Verklaring van Leeuwarden § 61 moeten de beginselen en richtlijnen `om het huidige aantal zeehonden dat in de Waddenzee wordt gevangen en vrijgelaten zo laag mogelijk te houden' ook voor de grijze zeehond gelden. Daarom bevat het Zeehonden Beheersplan 1996-2000 (Senior Officials, maart 1996) `aanvullende maatregelen voor de bescherming van de grijze zeehond'.

Bruinvissen

Deze soort kreeg geen speciale aandacht bij de besluitvorming op de laatste Trilaterale Regeringsconferenties. De bruinvis valt onder de Overeenkomst over de bescherming van Kleine Walvisachtigen in de Oostzee en de Noordzee (ASCOBANS) en tijdens de Waddenzeeconfe renties werd de overeenkomst verwelkomd, evenals de samenwerking met de betreffende organen (Verklaring van Esbjerg § 28 en Verklaring van Leeuwarden § 63).

10.1.1 Gestreefd wordt naar bescherming van de belangrijkste gebieden van de bruinvissen voor het zogen en grootbrengen van jongen in het Samenwerkingsgebied en aangrenzende gebieden door het nemen van passende maatregelen.

10.1.2 Het informeren van het publiek over de kleine walvisachtigen in het Samenwerkingsgebied en de Noordzee zal plaatsvinden op gemeenschappelijke basis in samenwerking met ASCOBANS.

  10.2 Trilaterale projecten en acties

10.2.1 De mogelijkheid overwegen om op basis van wetenschappelijke gegevens gebieden in het Samenwerkingsgebied en aangrenzende gebieden bij Sylt en Amrum en ook in het Deense deel als `gebieden van speciaal belang' aan te wijzen, vooral als kraam- en kinderkamer voor de bescherming van de bruinvissen.

10.2.2 Onderzoek naar mogelijkheden om op flexibele basis gebieden waar jonge grijze zeehon den uitrusten af te sluiten in overleg met verantwoordelijke lokale overheden en belan gengroepen.

10.2.3 Onderzoek in samenwerking met de verantwoordelijke visserijsectoren naar oplossingen in de sfeer van technische verbeteringen om incidentele vangst van zeezoogdieren in drijfnetten en fuiken te voorkomen en het aantal bijvangsten te minimaliseren.